Spelregels
Op de baan spelen twee groepen tegen elkaar van max. 5 personen per groep. Groep 1 slaat de bal vanaf het afslag punt en vervolgens slaat groep 2. De bal die dan het verst van de put verwijderd is, is vervolgens aan slag. De bal mag altijd een clublengte verplaatst worden, maar nooit zo dat de bal dichter bij de put komt. De twee groepen lopen zo gezamenlijk alle putjes, gedurende de hele duur van het spel. Binnen een groep slaat men om de beurt. Een hole is gemaakt als de bal in het putje is geslagen. Vervolgens haal je de bal eruit en legt hem 4 meter in de richting van de volgende put en begint weer te slaan. Zo loop je de hele baan. Op het wedstrijdformulier worden de namen van de groepsleden ingevuld. Achter de nummers 1 t/m 10 worden het aantal slagen bijgehouden, per putje, middels turven. De groep met het minste aantal slagen heeft gewonnen. Een boerengolfbaan bestaat uit 10 putjes met een lengte van gemiddeld meer dan 200 meter per hole. Een hole bestaat uit een afslagpunt en het eindpunt, en de putjes met een genummerde vlag erbij.
De put is het begin voor de volgende hole.
De oppervlakte van de boerengolfbaan is zeker 8 ha. of meer.
